LTO Nederland, de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO) en Stichting Brancheorganisatie Kalversector (SBK) willen de dierziekten IBR en BVD aanpakken. Doel is dat alle rundveebedrijven BVD-vrij en IBR-vrij worden met behulp van onder andere laboratoriumdiagnostiek.

Voorzien is de aanpak van IBR en BVD in eerste instantie te baseren op een verplichting voor melkveehouders via de leveringsvoorwaarden van de zuivelondernemingen en via een stimuleringsregeling BVD voor niet-melkleverende bedrijven. Waar toepassing van diagnostiek nodig is, moeten bedrijven gebruik maken van een toegelaten laboratorium. In december 2017 zal definitief worden besloten over de inhoud van de regelingen en het moment van inwerkingtreding.

Beheer regeling door ZuivelNL
Op verzoek van de sectororganisaties beheert ZuivelNL de regeling voor toelating van laboratoria. In de betreffende protocollen  zijn de achtergronden en het toetsingskader beschreven. Door de regeling zijn de laboratoriumuitslagen, ongeacht het laboratorium, betrouwbaar en uitwisselbaar en toepasbaar voor de landelijke aanpak van IBR en BVD. Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) houdt toezicht op de laboratoria en adviseert ZuivelNL over toelating. Toegelaten laboratoria moeten alle resultaten die van belang zijn voor de aanpak van IBR en BVD leveren aan een centrale databank.

 

Protocol voor het toezicht op laboratoria die diagnostiek uitvoeren voor bestrijding van BVD in Nederland

1. Inleiding De Nederlandse rundveehouderij heeft het voornemen om Bovine Virus Diarree (BVD) in Nederland te elimineren. Om dit te realiseren is een bestrijdingsprogramma opgesteld onder leiding van de Stuurgroep Voorbereiding collectieve bestrijding IBR en BVD in Nederland. Deze stuurgroep is ingericht door de Themacommissie Diergezondheid Rund (DKR), waarvan het secretariaat is belegd bij ZuivelNL. In het programma worden aan rundveebedrijven eisen gesteld om vrij te worden en vrij te blijven van BVD.

 

Status infectie Runderen kunnen persistent of transiënt geïnfecteerd zijn met het BVD-virus (BVDV). Persistent geïnfecteerde (PI) runderen (ook wel genoemd: BVD-dragers) scheiden hun leven lang grote hoeveelheden virus uit en zullen op die manier andere dieren op het bedrijf infecteren. Transiënt geïnfecteerde runderen genezen na een infectie met BVDV en bouwen een afweer op tegen BVDV. Deze dieren scheiden gedurende een korte periode een lage hoeveelheid BVDV uit. Doel van het bestrijdingsprogramma is om de Nederlandse rundveestapel vrij te maken van BVD door dieren die persistent drager zijn van BVDV op te sporen en af te voeren. 

 

Globale beschrijving bestrijdingsprogramma  Het bestrijdingsprogramma richt zich op het realiseren van de status ‘BVD-vrij’ voor alle bedrijven. Bedrijven kunnen daarvoor een intakeprotocol doorlopen waarin van elk dier dat bij de start aanwezig is wordt vastgesteld of het een PI is en waarin daarnaast gedurende minimaal tien maanden alle nieuw geboren kalveren (met inbegrip van dood geboren kalveren en geaborteerde kalveren) worden getest op BVD-dragerschap. Na het succesvol doorlopen van dit protocol wordt de status ‘BVD-vrij’ toegekend aan het bedrijf. Vervolgens moet het bedrijf worden bewaakt door onderzoek op antistoffen in de tankmelk (viermaal per jaar), onderzoek op antistoffen in serum in een steekproef uit vijf kalveren van 8 tot 12 maanden oud (tweemaal per jaar) of door het testen op dragerschap van alle nieuw geboren kalveren voort te zetten.

 

Bedrijven kunnen ook direct starten met één van de bewakingsprotocollen. Zolang geen antistoffen worden aangetoond in tankmelk of steekproef heeft het bedrijf de status ‘BVD-onverdacht’. Na twee jaar gunstige resultaten in antistoffen onderzoek wordt het bedrijf beschouwd als ‘BVD-vrij’ en wordt de bewaking voortgezet. Indien tien maanden lang geen virus wordt aangetoond in de nieuwgeboren kalveren, krijgt het bedrijf eveneens de status ‘BVD-onverdacht’. Na nogmaals twee jaar gunstige testresultaten krijgt het bedrijf de status ‘BVD-vrij’.

 

Om insleep van virus via aanvoer van dieren te voorkomen, moeten dieren die worden aangevoerd van een niet-BVD-vrij bedrijf worden onderzocht op virus en – indien ouder dan één jaar - op aanwezigheid van antistoffen. 

 

Laboratoriumdiagnostiek Laboratoriumdiagnostiek heeft dus een centrale rol in het BVD-bestrijdingsprogramma. Op grond van de uitslagen van laboratoriumonderzoek op aanwezigheid van het virus of antilichamen tegen het virus worden statussen aan individuele dieren en aan individuele bedrijven toegekend. Met laboratoriumdiagnostiek worden de BVD-dragers geïdentificeerd en wordt bepaald of een bedrijf al dan niet vrij is van BVDV. 

De laboratoriumdiagnostiek dient aan te sluiten op het doel van het BVD-bestrijdingsprogramma en de juiste resultaten op te leveren die bijdragen aan het bereiken van dit doel. Dit betekent dat middels het laboratoriumonderzoek dragers van BVDV opgespoord dienen te kunnen worden, en middels laboratoriumonderzoek op antilichamen dient ook een besmetting met BVDV opgespoord te kunnen worden. Ook in transiënt geïnfecteerde dieren kan BVDV aangetoond worden door laboratoriumonderzoek. Dit is echter geen minimumvoorwaarde voor het bestrijdingsprogramma. 

 2. Lijst met toegelaten laboratoria voor BVD diagnostiek

  •  Om richting veehouders en dierenartsen transparant te maken welk laboratorium diagnostiek uitvoert die aansluit bij de doelstellingen van het BVD-bestrijdingsprogramma, zal een lijst worden opgesteld met laboratoria die zijn toegelaten en voor elke combinatie van testmethodiek en matrix waarvoor ieder laboratorium is toegelaten. 
  •  ZuivelNL is eindverantwoordelijk voor vaststelling van de eisen waaraan een laboratorium moet voldoen voor de toelating van een test en voor het behoud van toelating.
  •   ZuivelNL is ook eindverantwoordelijk voor het toezicht op de toegelaten laboratoria. Het toezicht wordt namens ZuivelNL uitgevoerd door een expertlaboratorium te weten Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) in Lelystad.
  •   ZuivelNL stelt op advies van een WBVR de lijst op van met laboratoria die hebben aangetoond aan de gestelde voorwaarden te voldoen.
  •  Buitenlandse laboratoria worden op dezelfde wijze beoordeeld door WBVR als laboratoria gelegen op Nederlands grondgebied